Gered door het collectief
Het is maart 2023. Ik word langzaam wakker en heb even geen idee waar ik ben. Langzaam doe ik mijn ogen open. Ik lig in een ziekenhuisbed en er zitten draden met stickers op mijn lichaam geplakt. In het halfdonker zie ik allerlei blauwe lampjes knipperen en hoor ik zacht gebrom en af en toe een ritmisch gepiep. Met mijn bewustzijn keert ook mijn herinnering van de vorige dagen terug. Ik ben een paar dagen flink ziek geweest, een virusinfectie. Als een berin in winterslaap had ik mij enkele dagen onder mijn dekbed ingegraven, geen behoefte aan eten of drinken.
Na een paar dagen week de koorts en begon ik me beter te voelen. Maar toen ik opstond lieten delen van mijn lichaam het plots afweten. Mijn rechteroog wilde niet meer open en ik liep als een zeeman op zijn eerste avond terug aan de wal. Uiteindelijk heb ik me, toch enigszins ongerust, naar het ziekenhuis laten brengen en na enig overleg achter de schermen werd kennelijk besloten mij naar de ic te brengen waar men mij aansloot op allerlei apparatuur. Definitief in de rol van patiënt, het beoordelingsvermogen over mijn lichaam uit handen gegeven.
Ik heb een droge mond en ik moet plassen. Ik druk op het knopje dat aan hekje van mijn bed is vast gemaakt. Na lange tijd verschijnt er iemand in een soort maanpak. Alleen de ogen zichtbaar. Professioneel vriendelijke ogen. Voor zover ik kan beoordelen is het een vrouw. Ik vraag waar de wc is. Die blijkt er niet te zijn op de ic. Mensen die hier liggen zijn meestal niet in staat zelfstandig naar de wc te gaan. Ze kan me alleen een ondersteek brengen. Ik moet nodig plassen dus heb weinig keus.

Als ze weer verdwenen is kijk ik om me heen. Ik lig dus op de ic. De intensieve zeggen ze hier in België Ik laat de gedachte tot mij doordringen. Een opname op de ic is duur dus er zal wel een reden tot zorg zijn. Ik kan het nog niet helemaal bevatten want ik voel me al veel minder ziek dan de voorafgaande dagen. Toen ik de verpleegster er naar vroeg zei ze men bang was dat mijn ademhalingsspieren ermee zouden stoppen. Blijkbaar is het uitvallen van verschillende functies van mijn lichaam iets progressiefs. Of toch mogelijk progressief.
Het voelt als een belangrijk moment in mijn leven. Anderen voor mij zijn hier op deze afdeling gestorven. En hoewel deze gedachte me overdreven en theatraal voorkomt, moet ik toegeven dat de voorzichtigheid van het verplegend personeel besmettelijk is. Ik voel me niet alsof ik iets dodelijks onder de leden heb maar waarom hield mijn lichaam dan op zich te voegen naar mijn wil? Waar besloot het zijn eigen weg te gaan en mijn bevelen niet langer te gehoorzamen? Zou er dan misschien toch een kern van waarheid in zitten dat de kans bestaat dat ik hier dood ga?
Ik lig in isolatie vanwege kans op overdracht van het virus dus ik ben veel alleen. Tijd genoeg om mijn situatie goed te overdenken. Nooit eerder heb ik het gevoel gehad dat de dood zo dichtbij was. Nooit? Nou ok één keer eerder maar daar wil ik het nu niet over hebben. Ik mankeer van alles maar tot op heden voor zover ik wist niets dodelijks. Wat als, wat als dit echt het einde van mijn leven is? Ik zuig op deze gedachte als op een toverbal, proef hem op mijn tong en bekijk hem van tijd tot tijd van een afstandje. Ik heb het gevoel in een verkeerde film te zijn beland.
Na 24 uur op de ic is mijn conditie onveranderd en mag ik naar beneden, naar de afdeling neurologie. Wel in quarantaine maar niet langer aangesloten op het systeem dat mijn vitale functies bewaakt. Ik krijg eindelijk eten en mag weer zelf naar de wc.
De neurologe doet allerlei testjes en ik blijk een auto-immuun reactie te hebben die mijn afweersysteem ertoe aanzet mijn eigen zenuwbanen aan te vallen.
Het medicijn is de afweerstoffen van mensen die hun bloed gedoneerd hebben. Ik bedenk hoe metaforisch dit is; het virus heeft ons met onze neus gedrukt op onze onderlinge verbondenheid in deze hyperindividualistische samenleving en nu wordt mijn leven gered door vele, mij onbekende, donoren. Ik voel mij dankbaar en verbonden met al deze mensen die belangeloos hun bloed hebben afgestaan. Hoewel gewaarschuwd voor mogelijke bijwerkingen, merk ik daar weinig van, mijn lichaam verwelkomt dit infuus.
erwijl mijn lichaam herstelde, merkte ik dat er ook iets anders was verschoven. Niet omdat mijn ziekte mij een boodschap had gestuurd of omdat mijn lichaam symbolisch had uitgesproken wat ik zelf niet durfde te zeggen. Daar geloof ik niet zo eenvoudig in. Maar zo’n opname haalt wel een hoop ruis weg.
Ik had jarenlang geprobeerd mijzelf passend te maken in een leven dat steeds minder het mijne was. Mijn scherpe blik, waar ik in mijn werk altijd op vertrouwd had, gebruikte ik thuis steeds minder. Wat ik zag, probeerde ik niet te zien. Wat ik voelde, probeerde ik weg te drinken. Niet omdat ik niets wist, maar omdat weten consequenties had.
Op de afdeling neurologie hing ondertussen een infuus met antistoffen van mensen die mij nooit zouden kennen. Mensen die bloed hadden gegeven zonder te weten in wiens lichaam het uiteindelijk terecht zou komen. Ik vond dat ontroerend. Juist omdat er geen bedoeling achter zat. Geen opdracht. Geen boodschap. Alleen mensen die iets van zichzelf hadden afgestaan zodat een onbekende geholpen kon worden.
Misschien was dat wel wat mij het meest raakte: dat ik daar lag dankzij anderen, terwijl ik zo lang geprobeerd had mijn leven vooral zelf bij elkaar te houden.
De opname vertelde mij niet wat ik met de rest van mijn leven moest doen. Maar ze maakte het moeilijker om opnieuw te doen alsof ik niet wist wat ik wist.
In de sjamanistische traditie waarin ik ben opgeleid wordt genezing niet alleen gezien als herstel voor jezelf. Wat je terugkrijgt, breng je ook weer de wereld in. Dat klinkt grootser dan ik het bedoel. Voor mij betekende het iets eenvoudigs: mijn blik niet opnieuw vertroebelen. Niet weer kleiner worden om ergens in te passen. En in mijn werk niet doen alsof ik niets zie wanneer ik iets wel degelijk zie.
Ik was niet gered met een opdracht.
Maar ik had wel opnieuw de keuze wat ik met mijn leven zou doen.